donderdag 21 juli 2011

Appels telen met minimale snoei / De makkelijkste manier voldoet het best

Spil aan draden in volle productie. Aan het doodgespoten gras kun je zien dat deze foto bij een commercieel bedrijf gemaakt is. Dat spuiten is onwenselijk, maar het is wel nuttig om de eerste jaren een cirkel (ongeveer 1 mtr) rond de stam grasvrij te houden

Er zijn voor de appel veel verschillende snoeimethoden, maar vergelijkend onderzoek laat zien dat de moderne manier van telen verreweg het beste rendement geeft. Vroeger, zo blijkt, maakte men het zichzelf nodeloos moeilijk want de beste resultaten bereik je met het minste werk. Op zwakgroeiende onderstam heb je vaak het eerste jaar na aanplant al wat vruchten, en is er vanaf het derde jaar een substantiële oogst.

Snoeien is bij vrijwel alle appelrassen noodzaak omdat het gaat om cultuurgewassen die niet zonder deze verzorging kunnen. Zonder snoei krijgen we dichte warrige struiken of kronen, en gaat de kwaliteit van het fruit snel achteruit. Maar snoeien op zich is niet goed voor het gewas; met snoei veroorzaak je immers wonden die invalspoorten kunnen vormen voor infecties, en alle jonge takken die uit een gewas geknipt worden zijn verloren energie. Snoei veroorzaakt strikt genomen schade aan het gewas, maar het volledig nalaten van snoei veroorzaakt nog meer ongerief. Het is dus kiezen tussen twee kwaden en de oplossing moet worden gezocht in matigheid: de kunst is om een luchtig gewas te krijgen met een minimum aan snoei. Overigens is de snoei bij appels en peren vrijwel identiek. Het belangrijkste verschil is dat de vruchtbaarheid bij peren wat later intreedt omdat de onderstammen voor de peer wat krachtiger groeien.

Museumtuin
In de museumtuin van Gaasbeek (België) is een scala van teeltvormen bij fruit, zoals die vroeger gangbaar waren, bijeengebracht. Dat geeft een goed inzicht in de resultaten van de verschillende snoeimethoden. Gaasbeek is een modeltuin: het fruit –waaronder véél leifruit- wordt er met groot vakmanschap verzorgd en gesnoeid; er zijn maar weinig andere tuinen waar het leifruit er zo punctueel bijstaat. Maar dat neemt niet weg dat de vakken met de vrijere snoeivormen er conditioneel toch gunstig uitspringen. Het kweken van leivormen dient vooral een esthetisch doel, en al dat geknip en gepluk om de bomen zo compact en strak in de vorm te houden blijft toch een aanslag op de conditie van het gewas. Ook het argument dat je met leifruit op een beperkte ruimte véél fruit kunt telen, gaat maar ten dele op. Dat lukt alleen met rassen die er geschikt voor zijn, en dan vraagt het véél aandacht. Paradoxaal genoeg geldt ook bij leifruit dat het de kunst is om zo licht mogelijk te snoeien. Dat betekent dat je voortdurend bezig moet zijn om ongewenste scheutjes te verwijderen vóór deze zich kunnen ontwikkelen: op die manier werk je meer met je nagels dan met een snoeischaar. Uiteindelijk hangt de hoeveelheid vruchten die een gewas groot kan brengen altijd af van het bladvolume. Hoe minder gebladerte je laat zitten, hoe minder vruchten er aangehouden kunnen worden.

Vroeg productief
Wanneer je zo snel mogelijk goed producerende fruitboompjes of struiken wilt hebben is het zaak om tijdens de opgroeiperiode zo min mogelijk te snoeien. Dat betekent niet dat je er niets aan hoeft te doen, maar wel dat je in een zo vroeg mogelijk stadium moet bijsturen. Door tijdig verkeerd geplaatste scheutjes weg te plukken gaat er nauwelijks groeikracht verloren. Sterke snoei tijdens de opgroeiperiode heeft altijd een vertragend effect op de vruchtbaarheid. Wanneer je niet teveel ingrijpt tijdens de vorming heb je bij appels op zwakgroeiende onderstam het tweede jaar al aardig fruit aan de boom, en heb je na een jaar of vier een redelijk volwaardig producerend gewas. Spillen zijn na vijf of zes jaar op volle productie, struiken (die breder uitgroeien) doen daar ietsje langer over.

De spil
Een spil is een boom met een centrale stam. Dit is bij de meeste perenrassen de natuurlijke groeiwijze, maar bij de appel een kunstmatige vorm. De appel heeft van nature neiging een bolle kroon te vormen. Toch is de spil de meest gekweekte vorm bij appels op zwakgroeiende onderstam, en de opkweek ervan is niet moeilijk. Spillen worden altijd aan een boompaal opgekweekt of aan een bamboestok langs een haag met draden. In Gaasbeek zijn stevige en goed tegen roest behandelde metalen staanders gebruikt; dat is wel een wat duurdere oplossing, maar deze palen zijn dan ook levenslang bruikbaar. Het dilemma bij houten boompalen is dat geïmpregneerde palen de bodem vervuilen, en niet geïmpregneerde palen meestal een zeer beperkte levensduur hebben. Kastanjehout is waarschijnlijk het beste alternatief wanneer je onbehandelde houten boompalen gebruikt. Spillen worden meestal op onderstam M9 opgekweekt; de onderlinge afstand in de rij is dan –afhankelijk van de groeikracht van het ras- 1 tot 1,5 mtr.
Bij de spil laat je de onderste takken iets breder uitgroeien dan die erboven, zodat de zon diep in de rij kan schijnen. Bij een platte spil (zie afbeelding) is de onderlinge afstand 2 á 3 mtr.

De struik
Een struik wordt wat breder opgekweekt dan een spil, dus de onderlinge afstand moet ook ruimer; gemiddeld zal 2 á 3 mtr. volstaan. Bij een struik hou je een korte stam aan van minstens 75 cm., maar liever iets hoger. Wanneer je de vertakking te laag laat beginnen zullen de laagste vruchttakken zover doorhangen dat ze de grond raken. Belangrijk is (zowel bij struik als spil) dat er lucht blijft tussen de eerste takken en de bodem: dat is voor de noodzakelijke ventilatie. Voor de vorming van de kroon hou je vier takken aan die rondom naar buiten wijzen. Deze takken vormen het gestel waaraan zich het vruchtdragende zijhout zal ontwikkelen. Essentieel is dat de zon in de struik moet kunnen schijnen; daarom worden tijdens de vorming steeds de naar binnen gerichte scheuten weggehaald, of getopt tot enkele blaadjes. Struiken doen er (net als de platte spil), omdat ze breder moeten uitgroeien, een jaar of twee langer over voor ze in volle productie zijn.

Snel oogst
Wanneer je zo snel mogelijk oogst wil hebben is het dus belangrijk zo min mogelijk te snoeien. Door opgaande takken tot een bijna vlakke stand uit te buigen wordt de vruchtbaarheid bevorderd. Twijgjes die echt te steil zijn aangezet (plakoksels) kun je maar beter zo snel mogelijk weghalen; deze aanzettingen zullen later te makkelijk breken. Hoewel je er wel voor moet zorgen dat er voldoende afstand tussen de takken is, is een wat warrige groei in een jong boompje geen bezwaar. Wanneer het boompje - na een jaar of drie - behoorlijk draagt, kan dit gaandeweg gecorrigeerd worden. Na vier tot vijf jaar kan jaarlijks een deel van het vruchthout verjongd worden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten